Industrieterrein
  1. Kennisbank

Het STOP-principe bij gevaarlijke stoffen

Werken met gevaarlijke stoffen brengt risico’s met zich mee. Daarom is het belangrijk om blootstelling zoveel mogelijk te beperken. Toch blijkt in de praktijk dat organisaties vaak te snel grijpen naar persoonlijke beschermingsmiddelen, terwijl juist maatregelen bij de bron het meest effectief zijn.

Het STOP-principe helpt organisaties om risico’s rondom gevaarlijke stoffen op een gestructureerde en effectieve manier te beheersen. Deze arbeidshygiënische strategie vormt de basis voor veilig werken met gevaarlijke stoffen en wordt ook gebruikt binnen wet- en regelgeving.

Wat houdt het STOP-principe in?

Het STOP-principe is een hiërarchie van maatregelen om blootstelling aan gevaarlijke stoffen te beperken. De letters STOP staan voor vier soorten maatregelen, gerangschikt van meest effectief naar minst effectief:

  1. S – Substitutie
  2. T – Technische maatregelen
  3. O – Organisatorische maatregelen
  4. P – Persoonlijke beschermingsmiddelen

De belangrijkste regel binnen deze strategie: begin altijd met de meest effectieve maatregel.

STOP strategie

S – Substitutie: vervang de gevaarlijke stof

De eerste stap binnen het STOP-principe is substitutie. Hierbij vervang je een gevaarlijke stof door een minder schadelijk alternatief.

Denk bijvoorbeeld aan:

  • het vervangen van oplosmiddelhoudende producten door watergedragen varianten;
  • het kiezen van minder vluchtige stoffen;
  • het vermijden van producten met CMR-eigenschappen.

Substitutie is de meest effectieve maatregel, omdat het risico direct bij de bron wordt weggenomen.

Voor CMR-stoffen (carcinogene, mutagene en reprotoxische stoffen) geldt bovendien een strengere verplichting. Deze stoffen moeten worden vervangen wanneer dit technisch mogelijk is. Dit is vastgelegd in artikel 4.17 van het Arbeidsomstandighedenbesluit.

T – Technische maatregelen: beperk blootstelling bij de bron

Wanneer vervanging niet mogelijk is, zijn technische maatregelen de volgende stap. Deze maatregelen zorgen ervoor dat gevaarlijke stoffen zich minder kunnen verspreiden binnen de werkomgeving.

Voorbeelden van technische maatregelen zijn:

  • bronafzuiging;
  • ventilatiesystemen;
  • gesloten installaties;
  • afgeschermde processen;
  • automatische doseersystemen.

Technische maatregelen zijn vaak zeer effectief, omdat medewerkers minder direct worden blootgesteld aan gevaarlijke stoffen.

O – Organisatorische maatregelen: organiseer het werk slimmer

Organisatorische maatregelen richten zich op het aanpassen van werkzaamheden en processen om blootstelling verder te beperken.

Voorbeelden zijn:

  • het verkorten van blootstellingstijd;
  • taakroulatie;
  • minder medewerkers blootstellen aan bepaalde werkzaamheden;
  • duidelijke werkprocedures;
  • instructies en trainingen;
  • werkzaamheden uitvoeren op rustige momenten.

Ook eenvoudige maatregelen kunnen hierbij een groot verschil maken. Denk bijvoorbeeld aan het gebruik van een stofzuiger in plaats van een bezem om stofverspreiding te voorkomen, of het gesloten houden van afvalbakken met gevaarlijke stoffen en gebruikte poetsdoeken.

P – Persoonlijke beschermingsmiddelen (PBM’s)

Persoonlijke beschermingsmiddelen vormen de laatste stap binnen het STOP-principe. Denk hierbij aan:

  • handschoenen;
  • adembescherming;
  • veiligheidsbrillen;
  • beschermende kleding.

PBM’s beschermen de individuele medewerker, maar nemen het risico niet weg bij de bron. Daarom mogen persoonlijke beschermingsmiddelen nooit de eerste of enige maatregel zijn wanneer betere oplossingen mogelijk zijn.

Daarnaast staan PBM’s laag in de arbeidshygiënische hiërarchie omdat de effectiviteit sterk afhankelijk is van correct gebruik, draagdiscipline en gedrag van medewerkers.

Ook is het belangrijk om de draagduur van PBM’s zoveel mogelijk te beperken. Dit is opgenomen in artikel 4.4 van het Arbeidsomstandighedenbesluit.

Het redelijkerwijs-principe bij gevaarlijke stoffen

Voor veel “gewone” gevaarlijke stoffen geldt het redelijkerwijs-principe. Dat betekent dat een organisatie mag afwijken van een hogere maatregel in de STOP-hiërarchie wanneer deze technisch of economisch niet haalbaar is.

In dat geval kan een stap lager binnen de arbeidshygiënische strategie worden toegepast, mits dit goed wordt onderbouwd.

Voor CMR-stoffen geldt deze uitzondering dus niet. Daar staat substitutie centraal zodra dit technisch mogelijk is.

Waarom het STOP-principe belangrijk blijft

De STOP-strategie helpt organisaties om structureel naar risicobeheersing te kijken. Door altijd eerst maatregelen bij de bron te onderzoeken, kunnen blootstellingen aanzienlijk worden verminderd en wordt veiliger werken met gevaarlijke stoffen beter geborgd.

Het toepassen van de arbeidshygiënische strategie is niet alleen belangrijk voor wetgeving en compliance, maar vooral voor de gezondheid en veiligheid van medewerkers.

Meer inzicht in risico’s en maatregelen?

Met Stoffenmanager® krijg je inzicht in blootstelling aan gevaarlijke stoffen en passende beheersmaatregelen volgens de arbeidshygiënische strategie.

Wil je meer weten over maatregelen en risicoverkleining? Bekijk ook onze kennisbank.

Of start direct met de gratis instapversie van Stoffenmanager®.